I S A B E L L E

Hoofdstuk 1

Nergens ter wereld klinkt een sirene zoals op Manhattan. Een langgerekt gehuil meanderend door de straten, lijzig als de klaagzang van een wolf. Lars hield van dat geluid. Het deed hem beseffen terug te zijn in de hoofdstad van de wereld.

Het was donker in de kamer, maar hij wist dat het ochtend was. Graaiend over het matras zocht hij zijn iPhone. Voordat de slaap hem vannacht overmande had hij een bericht geplaatst op Facebook, een selfie met als achtergrond de bar van Provocateur. Volgens de man bij de receptie de coolste tent van Manhattan. Niet dat Lars zich nog veel kon herinneren, de mix van drankjes had zijn geheugen beneveld. Loom had hij voor zich uit zitten staren naar de bezoekers. Mannen, jongens nog, in elk geval een stuk jonger dan hijzelf, gekleed volgens een ongeschreven code. Brokers leken het patent te hebben op pakken van Brioni of Conatelli. Entrepeneurs in getailleerde overhemden boven strakke pantalons. Daaronder loafers, liefst met dubbele gesp. En alles maatwerk natuurlijk. Ontspannen stonden ze te praten met een tumbler in de linkerhand, zodat het horloge goed zichtbaar was. Rolex was uit, Pathek Philip of Beaume & Mercier met leren band was tegenwoordig de standaard. En dan die vrouwen. Bloedmooi en nuffig, maar als er een geschikte kandidaat in het vizier kwam, viel het masker van nonchalance.

Lars knipte het licht van het nachtkastje aan en tilde zijn kussen op. Dat ding moest toch ergens zijn. Met een ruk trok hij het dekbed weg. Geen iPhone. Na een paar tellen dweilen over de vloer, staakte hij zijn zoektocht. Hij stond op en liep naar het raam. Fel licht prikte naar binnen toen hij de gordijnen opende. Lars kneep met zijn ogen en voelde de hoofdpijn heviger worden. In Nederland had hij een fikse korting gekregen op een of andere website, slechts vierhonderdveertig euro voor drie nachten in het Wellington hotel aan 7th Avenue. Het uitzicht was navenant: een blinde muur. Maar goed, het was in de buurt van Johns werkplek. Een week eerder had hij zijn oude kameraad een email gestuurd. ‘Ben volgende week in New York, misschien leuk om elkaar even te zien.’ Een uur later kwam het antwoord: ‘Woensdagavond zeven uur aan de voet van het Shearman Building, Lexington Avenue. We kunnen wat gaan eten in de buurt.’

Hij realiseerde zich opeens dat hij naakt voor het raam stond. Niet dat iemand hem kon zien, wat hem weinig zou kunnen schelen, het was echter niet zijn gewoonte zonder ondergoed te slapen. Nu hij er over nadacht, wist Lars niet eens hoe hij was thuisgekomen. De radiowekker op het nachtkastje gaf 08:56 aan. Hij trok het dekbed helemaal weg, naast zijn iPhone was nu ook een onderbroek doel van de zoektocht. Hij liep naar de badkamer. De ruimte zag er onberispelijk uit, alsof de schoonmaakster zojuist haar werk had gedaan, het uiteinde van de wc-rol was in een puntje gevouwen. Lars wist zeker dat hij zijn toilettas in de badkamer had gezet. Hij had zelfs gedouchet voordat hij naar John was gegaan. “Maken ze hier ’s nachts schoon soms?” mompelde hij. Onder de wastafel stond alleen een lege prullenmand. Hij pakte een handdoek van de stapel, bond hem om zijn middel en ging ervan uit dat de tas in de hotelkamer stond. Het gebeurt wel vaker dat je gedachtenloos ergens iets neerzet. Hij speurde de kamer rond, maar zag zijn toilettas niet. Ook zijn koffer was verdwenen. Hij liep om het bed heen en graaide het dekbed weg dat op de grond was beland.

“Waar the fuck zijn mijn kleren,” zei hij en rukte de kledingkast tegenover het bed open. Die was leeg op een paar kleerhangers na. Haastig trok hij de lades open, maar vond niets. Geen toilettas, geen kleding, geen iPhone. Lars stapte achteruit en keek op de kast. Niets. Ernaast dan. Ook niets. Onder de boxspring was geen ruimte. “Waar is verdomme mijn koffer!” riep hij, beende terug naar de badkamer en trok het douchegordijn weg. Nog steeds geen spoor van wat dan ook. Terug in de kamer pakte hij het bovenste matras van het bed en duwde het omhoog. Niks. Hij liet het matras los dat met een plof neerviel. Stof dwarrelde in het licht. Weer probeerde hij zich te herinneren hoe hij was thuisgekomen, maar er schoot hem niets te binnen. Opeens stoof hij naar het raam en deed het raam open. Als zijn spullen op de binnenplaats zouden liggen, was er een verklaring. Wie zijn koffer naar beneden had gegooid en waarom, was een andere vraag. Op het grijze plateau stond alleen een vuilnisbak en er lag wat papieren troep. Leunend op het kozijn staarde Lars naar beneden. “Jezus, wat heb ik gedaan gisteren?!” Op dat moment werd er op de deur geklopt.